Kampen
Na negenentwintig jaar
verhuisde ik terug naar haar
Ze ontving me
met open armen
Haar stromende ziel
het koude water
Omsloot mijn lichaam
verdraagzaam als altijd
Op de kade
bij de Koggewerf
geurend naar hout en lijm
Sloot ik vriendschap
met het verleden en met
Jan die zelfs een storm
op het schip
overleefde
Ik streek neer
vlakbij haar hart
achter de Sint Nicolaaskerk
Als een oude vitale heer
met een rug wat scheef
slaat hij nog steeds
ieder half uur
de eeuwigheid in
stukjes
En als de zon hem
in de ochtend verlicht
Groet ik vanachter
het keukenraam
En zing zachtjes
'Al die willen
te kaap'ren varen
moeten mannen
met baarden
zijn'